CLUSTERMUNITIE: STATEN MOETEN MEER FONDSEN VRIJMAKEN VOOR STEUN AAN OVERLEVENDEN

  • foto van een ban advocate die een interview geeft

Handicap International, lid van de Clustermunitiecoalitie, stelt het nieuwe rapport inzake clustermunitie voor (Cluster Muniton Monitor). Twee jaar geleden trad het Osloverdrag in werking. Het verbiedt de productie, het gebruik, de stockage en de overdracht van clustermunitie. Uit het Clustermunitierapport blijkt dat er wel degelijk vooruitgang wordt geboekt. Een grote bekommernis blijft evenwel dat amper 5% van de middelen in de strijd tegen clustermunitie gaat naar steun voor de overlevenden. Handicap International roept alle landen op de nodige financiële middelen vrij te maken om aan de noden van de overlevenden te beantwoorden.

Het Clustermunitierapport 2012 dat vandaag in Londen werd voorgesteld, geeft informatie over de subsidies die internationaal worden vrijgemaakt in de strijd tegen clustermunitie. Daaruit blijkt dat zeer weinig geïnvesteerd wordt in slachtofferhulp. Landen als Albanië, Bosnië-Herzegovina en Libanon zagen zich om financiële redenen gedwongen hun steun aan slachtoffers te verminderen.

In 2011 maakten 21 staten en de Europese Commissie 48 miljoen euro vrij waarvan slechts 5% naar hulp aan overlevenden gaat. Volgens Handicap International, die de behoeften van de slachtoffers op het terrein in kaart bracht, is dat bedrag volledig ontoereikend.
De slachtoffers moeten levenslang ondersteund worden, ze moeten toegang krijgen tot de gezondheidszorg en ze moeten hulp krijgen om werk te vinden, zegt Bruno Leclercq, verantwoordelijke van de Policy Unit voor Handicap International in Brussel. Niet alleen de slachtoffers zelf, maar ook hun familie en hun gemeenschap moeten ondersteund worden. De cijfers zijn dramatisch: 40% van de geregistreerde slachtoffers van deze wapens zijn kinderen.

Volgens het Clustermunitierapport ging in 2011 nog geen 2.5 miljoen euro naar de steun aan slachtoffers. Dat is verre van voldoende, zegt de Amerikaanse Ban Advocate Lynn Bradach. Onlangs was ik in Laos waar de verdragspartijen voor het eerst samenkwamen voor een bijeenkomst rond het Verdrag van Oslo. Tijdens de conferentie werd een jong meisje gedood en raakte haar zus gewond door Amerikaanse clustermunitie, die er al 40 jaar ligt. Ik dacht onmiddellijk: Wie helpt de familie? Wie steunt de gemeenschap? Wat gebeurt er met het gewonde kind? De middelen moeten naar de slachtoffers gaan! Volgens het Verdrag krijgen de slachtoffers prioriteit maar daarvoor moeten ze effectief de hulp krijgen die ze nodig hebben.

De ‘erfenis’ van het gebruik van clustermunitie gedurende bijna meer dan 70 jaar vormt vandaag nog steeds een bedreiging voor 41 staten, bijna een kwart van alle landen. Het opruimen van clustermunitie is een werk van lange adem en vergt zeer veel kennis en precisie. In 2011 ontmijnden organisaties, zoals Handicap International, gemiddeld 1km² per week. Dankzij die operaties werden 50 000 stuks submunitie vernietigd. Toch hebben de teams van Handicap International nog jaren werk voor de boeg om al deze munitie van het land te verwijderen.

De vooruitgang waarvan sprake in het rapport heeft vooral betrekking op het vernietigen van gestockeerde submunitie. De lidstaten vernietigden meer dan tweederde van hun stocks, wat neerkomt op 86 miljoen stuks submunitie. Dankzij het Verdrag worden landen die voordien clustermunitie produceerden verplicht hun stocks te vernietigen. Deze munitie zal alvast niet meer worden ingezet in te toekomst, waardoor meer leed wordt voorkomen. Handicap International roept alle landen op zo snel mogelijk toe te treden tot de Conventie inzake clustermunitie en de steun aan slachtoffers op te voeren.