Overlevenden van landmijnongevallen roepen regeringen op om hun verbintenissen in verband met het "Mine Ban Treaty" na te leven

  • Voices from the Ground

Nieuw rapport van Handicap International geeft stem aan landmijnslachtoffers

  • minder dan een vierde van overlevenden ziet verbetering
  • regeringen komen niet tegemoet aan noden van overlevenden
  • 150 landen vergaderen morgen in Genève over globaal mijnactieplan

Uit een baanbrekend nieuw rapport met als titel “Voices from the Ground” blijkt dat regeringen overal ter wereld hun beloftes om overlevenden van landmijnongevallen te ondersteunen en opnieuw te integreren in de samenleving niet nakomen. Tien jaar nadat het Verdrag inzake het Verbod op Landmijnen van kracht werd, vindt 67% van de overlevenden dat de regering geen rekening houdt met hun noden bij het opmaken van een actieplan voor slachtofferhulp. Handicap International roept de regeringen op het Verdrag voor een Verbod op Landmijnen werkelijk toe te passen. Morgen begint een tweedaagse vergadering in Genève, waarop de Tweede Herzieningsconferentie voor het Landmijnenverdrag later dit jaar wordt voorbereid. Zo’n 150 landen komen daar bijeen om een globaal mijnactieplan op te stellen voor de komende vijf jaar.

Ik wil kunnen leven met hoop, en ik geloof dat ik weer een normaal leven kan leiden. Ik wil mijn dromen verwezenlijken en mijn verantwoordelijkheid nemen, net als al mijn vrienden hier in het dorp", aldus Korab Mula, een 27-jarige overlevende uit Albanië, die zijn twee armen verloor en verwondingen opliep aan beide benen, toen hij in 2000 op een landmijn trapte. Albanië is één van de weinige landen waar vooruitgang inzake slachtofferhulp werd vastgesteld.

Het rapport, “Voices from the Ground - Landmine and Explosive Remnants of War Survivors Speak out on Victim Assistance”, werd gezamenlijk gepubliceerd door Handicap International en andere leden van de Internationale Campagne voor een Verbod op Landmijnen overal ter wereld. Het is het allereerste rapport dat peilt naar de mening van overlevenden over de geboden hulp. De enquête werd in juli 2009 afgerond en omvat antwoorden en gegevens van 1.645 overlevenden in 25 getroffen landen.

Uit het rapport blijkt dat overlevenden zelden inspraak krijgen bij beslissingen en activiteiten rond hulpverlening. Vandaar dat meer dan twee derde vindt dat hun regering bij haar hulpplan geen rekening houdt met hun noden. Dat gebrek aan inspraak verklaart waarom de meeste overlevenden het gevoel hebben dat het hun regeringen aan de politieke wil ontbreekt om hen te helpen.

"Het is niet voldoende voor landen om voorraden te vernietigen en mijnen op te ruimen: ze moeten ook de mensen bijstaan die de explosies hebben overleefd en hen betrekken bij de besluitvorming", aldus Marc Joolen, algemeen directeur van Handicap International België. "Plattelandsbewoners hebben betaalbare hulp nodig in hun buurt en overal willen overlevenden de kans krijgen om te werken en een nieuw leven op te bouwen."

Het Landmijnenverdrag is het eerste internationale ontwapeningsverdrag dat de internationale gemeenschap oproept om "slachtofferhulp" te bieden. Alle Verdragspartijen, die zich "in een positie bevinden" om bijstand te verlenen moeten landmijnslachtoffers ondersteunen bij de zorg, revalidatie, sociale en economische re-integratie. Uit het rapport blijkt dat minder dan een kwart van de overlevenden enige vooruitgang merkt in zijn dagdagelijkse situatie.

De uitdagingen zijn gigantisch en spreiden zich uit over een lange termijn. De overlevenden beseffen maar al te goed dat hun landen heel wat andere prioriteiten hebben. Tegelijkertijd verklaren ze duidelijk dat de overheid hen belangrijke hulp ontzegt", aldus Katleen Maes, onderzoekscoördinator bij Handicap International België.

Overlevenden moeten vechten tegen discriminatie en concurreren met tal van andere kwetsbare groepen voor een beperkt aantal diensten. Hoewel de medische zorg en de fysieke revalidatie verbeterd zijn, moeten de meeste overlevenden nog altijd terugvallen op familie en vrienden. Ze hebben ongetwijfeld het meeste nood aan werk en opleiding.

Hier enkele bevindingen van het rapport, die het gebrek aan slachtofferhulp illustreren

  • Medische spoedzorg en permanente zorg: de meeste verbeteringen werden vastgesteld in de medische zorg. Zo zag 36% van de ondervraagden vooruitgang; die was meestal te danken aan een verbetering van de infrastructuur voor algemene gezondheidszorg. Vele zien een verbeterde opleiding van het personeel, maar de meeste zijn niet bereid om op het platteland te werken, waar het aanbod, haast uitsluitend beperkt blijft tot basiszorg.
  • Fysieke revalidatie: 39% van de overlevenden vond dat de kwaliteit van de hulpmiddelen voor mobiliteit verbeterd was. De meeste van die diensten worden geleverd door internationale agentschappen, maar het transport naar en van de voorzieningen blijft een probleem.
  • Psychologische begeleiding en maatschappelijke re-integratie: slechts 21% van de ondervraagden vond de psychologische begeleiding en de maatschappelijke re-integratie sinds 2005 verbeterd. Vaak voelden de overlevenden zich meer betrokken, al had dat weinig te maken met het aanbod, want dit was nagenoeg onbestaande. De overlevenden moesten dan ook meestal terugvallen op familie en vrienden.
  • Economische re-integratie: de werkloosheid bij de overlevenden ligt hoog. 9 op de 10 zijn ervan overtuigd dat ze gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt. De werkloosheidscijfers nemen sterk toe na mijnincidenten. In Afghanistan is meer dan 70% van de overlevenden werkloos, in Eritrea zelfs bijna 90%. Ongeveer 74% van alle ondervraagden vond hun gezinsinkomen te laag.