“Nadat ik de Ban Advocates had leren kennen, was het alsof ik opnieuw geboren werd”

Een moeder uit Laos en de tol van clustermunitie

Ze is vijftig en straalt jeugd en vastberadenheid uit. Een moederlijke, gulle lach ligt op haar gezicht. "Nadat ik de Ban Advocates had leren kennen, was het alsof ik opnieuw geboren werd.” Zo zegt Chantava na afloop van een vormingssessie, georganiseerd door Handicap International in de hoofdstad van Laos, Vientiane. Daar vond van in november-december 2010 de Tweede Conferentie voor Verdragspartijen tot de Conventie inzake clustermunitie plaats. 

Het woord Ban Advocate heeft inmiddels een magische klank gekregen. De Ban Advocates willen een ban on cluster munitions: alle clusterbommen verbieden. En bovendien alle overlevenden van clustermunitie ondersteunen. Sinds België in 2006 clustermunitie verbood en Noorwegen in 2007 de eerste conferentie voor een verdrag over clustermunitie organiseerde, begint de gruwel van deze wapens tot de publieke opinie door te dringen. Ze doden en verwonden niet alleen militairen maar ook burgers - mannen, vrouwen en kinderen – zelfs lang nadat de soldaten en de bommenwerpers zijn verdwenen. Ze zijn er om dat te doen. Stil te blijven liggen op of onder de grond om dan soms na jaren bij een onschuldige aanraking vernieling te zaaien. De bommen, zo groot als tennisballen, spatten uit elkaar en de splinters metaal dringen door vel en been. Het kan overal gebeuren: in het veld en in het dorp, op de weg en in een visvijver, in huis en in tuin. Er liggen er nog naar schatting 80 milljoen verspreid over een groot deel van Laos. Laotianen noemen ze ‘bombies’, omdat ze zo klein en onschuldig lijken, al weten ze maar al te goed hoe gemeen gevaarlijk ze kunnen zijn. De bommenwerpers, die 580 miljoen keer over Laos vlogen, dropten tussen 1964 en 1974 wel 2 miljoen ton clustermunitie. Ze maakten meer dan 7.000 slachtoffers, voor zover het geweten is. Chantava is slechts een van de velen.

Handicap International midden de slachtoffers

De provincie Savannakhet in het zuiden van Laos, waar ze vandaan komt, telt een vierde van alle clustermunitieslachtoffers. Daarom ook heeft Handicap International er een bureau gevestigd en een aantal projecten opgezet. Laotianen en buitenlanders slaan er de handen in elkaar om munitie te ruimen in de dorpen, mensen bewust te maken van de gevaren van clustermunitie, ervoor te zorgen dat de slachtoffers verzorging krijgen en werk om handen hebben, zodat er eten op de plank komt. Dat is allemaal moeilijk in een van de armste streken van een land dat al tot de armste ter wereld behoort.

Banen zijn er nauwelijks. Amper berijdbare aarden wegen leiden naar de kleine dorpsgemeenschappen. Houten huisjes op palen met wanden van bamboeblaren en gras op de daken bieden het allernoodzakelijkste onderdak en wat opvalt: de paalwoningen zijn hygiënisch en harmonisch in al hun eenvoud. Kippen scharrelen er rond, varkentjes schuifelen onder de huizen. Het dorp heeft één enkele waterput met brak water erom heen. Meisjes komen water pompen en dragen giechelend de emmers water aan weerszijden van een juk op hun schouders. De kleinere meisjes hebben gevlochten mandjes op hun rug gebonden. Daar trekken ze het bos mee in om te plukken wat hun maaltijd van de dag kan verrijken (of uitmaken): bessen, paddenstoelen, blaren, kruiden… Van groot op klein wordt de jagerstraditie voortgezet. Het bos heeft alles te bieden…

Zo is het en zo was het veertig jaar geleden. Maar beeld je in: het leven dat zo simpel leek, werd plots grimmig in de jaren zestig van vorige eeuw. Het bos werd dreigend. Het gevaar kwam van uit de lucht en van heel ver weg. Niemand wist waar het vandaan kwam en waarom. Vooral het graven naar bamboescheuten werd opeens levensgevaarlijk en is het vandaag nog…

Een explosie en veel pijn

Dat ondervond ook Chantava. Ze was met haar man en kinderen nauwelijks een kilometer van het dorp vandaan. Haar man had zijn buffels genomen om er een nieuw rijstveldje te ploegen. Zij was met de drie kinderen daar in de buurt het bos in getrokken om te zoeken naar bamboescheuten. Dit was een goede manier om de inkomsten van het gezin wat aan te vullen. "Ik gebruikte een schoffel om de bamboescheuten te vinden, toen ik op een ‘bombie’ stootte", vertelt ze. “Er was onmiddellijk een explosie. Ik lag daar met verschrikkelijke pijnen, badend in het bloed. Mijn man en kinderen waren dichtbij, zodat ze onmiddellijk kwamen aan gelopen."

Gedragen over de rivier

Wie in de omgeving van Xepon de dorpen heeft bezocht, weet dat het een verschrikking moet zijn in zo'n dorp een ongeval te krijgen. Hoe geraak je er vandaan? Hoe lang zal dat duren? Haar kinderen en man moesten haar over de rivier, de Xe, dragen. Dan konden ze een handtractor bemachtigen die haar naar het ziekenhuis in Xepon bracht. "Ik schreeuwde de hele weg van de pijn. Mijn kinderen moesten het aanzien hoe ik probeerde om die pijn te verdragen. Het was verschrikkelijk." Zo herinnert ze zich nog levendig.

Artsen konden haar been niet redden

Dat het slechts veertig minuten duurde voor ze het ziekenhuis bereikten, mag nog een wonder heten. Ze verzorgden haar er zo goed en zo kwaad het ging gedurende een hele week, maar de wonde wilde niet helen en ze moesten haar naar het provinciale ziekenhuis van Savannakhet brengen. Daar moest ze nog eens twee maanden blijven voor verzorging, maar de artsen konden haar been niet redden.

Ze moesten zes buffels verkopen

Even verschijnt er een droefheid op haar gezicht, wanneer ze terugdenkt aan die tijd: hoe moeilijk het was. "We moesten zes buffels verkopen", zegt ze, "want in die tijd waren buffels goedkoop en kreeg je er niet zoveel geld van." Ik heb het al gehoord: we moesten onze buffel verkopen. Soms de enige die ze hebben. Haar man moest er zes verkopen. Dat is veel en geeft een idee van de kosten van de verzorging. Het zegt ook dat je in Laos niet kan terugvallen op een sociaal zekerheidssysteem. Zelfs het verkopen van de buffels was niet genoeg. De familie moest nog bijspringen. Ook dat heb ik al meermaals gehoord. Het is altijd opnieuw de familie die bijspringt, zowel financieel als moreel. Materieel werd het een zware tijd voor het gezin, maar dat is voor haar blijkbaar niet het belangrijkste. "Omdat ik niet meer zo goed kon bewegen, kon ik ook niet meer voor mijn kinderen zorgen zoals vroeger. Dat was zeer moeilijk."

Niet meer voor de kinderen kunnen zorgen

Hebben de gezinnen slechts de mogelijkheid tussen het rijstveld en het bos met de bamboescheuten? Kennelijk wel. Tuinieren is niet hun gewoonte. Het moet hen worden aangeleerd. Toch vond Handicap International het de moeite waard om dat pad te verkennen, gezien het bos overal clustermunitie kan verbergen. Natuurlijk willen de ontmijningsteams van Handicap International zoveel mogelijk stukken bos, zeker rond de dorpen, veilig maken. Maar wat ze allereerst doen is een lapje grond ontmijnen rond het huis, waar de dorpelingen op een veilige manier groenten kunnen kweken. Het kan een goede bijverdienste zijn naast het traditionele werk op het rijstveld. Voorlopig vullen ze er de eigen behoeften mee aan, maar in de toekomst kunnen ze misschien met wat groenten naar de markt om er bijvoorbeeld een kip mee te kopen.

Overlevenden van clustermunitie hebben er nood aan het allernoodzakelijkste: medische verzorging, rehabilitatie en de mogelijkheid om hun gezin te onderhouden. Er is veel meer steun nodig.

Het Actieplan van Vientiane

Om samen met de andere Ban Advocates voor meer steun aan slachtoffers te pleiten is ze naar de hoofdstad Vientiane gekomen voor de conferentie over clustermunitie. Daar wordt een Actieplan goedgekeurd dat ervoor moet zorgen dat staten wereldwijd de conventie zonder dralen uitvoeren, clustermunitie ruimen en slachtoffers ondersteunen. Tijdens de conferentie wordt veel gepraat over plannen en structuren. "Dat is allemaal goed", zegt Firoz Alizada, mijnslachtoffer uit Afghanistan en Victim Assistance Officer van de Landmijnencampagne. "Maar het belangrijkste is de noden van de slachtoffers te lenigen. De staten moeten de klemtoon leggen op dienstverlening. Om tegemoet te komen aan de basisnoden van de slachtoffers is het absoluut noodzakelijk dat ze toegang krijgen tot basisdiensten zoals scholen, ziekenhuizen, vervoer, jobs, beroepsopleiding, micro-krediet, kwaliteitsvolle rehabilitatie en peer support (steun van gelijken). Het Actieplan van Vientiane biedt alles om concreet en dringend actie te ondernemen. De staten die zich aangesloten hebben bij dit verdrag moeten onmiddellijk actie ondernemen, opdat diensten voorhanden, toegankelijk en kwaliteitsvol zouden zijn."

Trauma’s hebben heling nodig

Firoz, die alles aan den lijve heeft ondervonden, vergeet ook niet te vermelden in zijn toespraak voor de conferentie dat deze Conventie op een baanbrekende manier de definitie van slachtoffer heeft opengebroken naar de familie en de omringende leefgemeenschap. "Ook zij moeten op diensten aanspraak kunnen maken. Niet alleen de slachtoffers maar ook hun gezinsleden kunnen nood hebben aan psychologische ondersteuning of aan opleiding om in de noden van het gezin te voldoen. Psychologische trauma's zijn onzichtbaar, maar ook zij hebben heling nodig."

Tijdens de vorming voor Ban Advocates vertelt Firoz vanuit zijn eigen ervaring: "Doordat ik niet onmiddellijk na mijn ongeval (….) psychologische begeleiding heb gehad, heb ik soms nog te kampen met nachtmerries", zegt hij niet zonder emotie. Daarom biedt Handicap International ook psychologische begeleiding aan voor de overlevenden, die zich aanbieden om samen te ijveren voor deze Conventie. Ze krijgen algemene sessies over trauma en de sporen die dat kan nalaten. Samen met Firoz Alizada en Jesus Martinez, mijnslachtoffer uit El Salvador, wisselen ze van gedachten over de mogelijkheden om elkaar te ondersteunen via ‘peer support’. Daarenboven is een psychologische kracht dag en nacht aanwezig, die zo nodig uren met hen spreekt, om hen te begeleiden bij hun persoonlijke worsteling om met hun verlies of handicap om te gaan.

Een nieuw leven

Maar het gevoel samen te zijn en met de andere Ban Advocates deel uit te maken van deze wereldwijde campagne betekent voor de meesten een nieuw leven. Wanneer Chantava haar verhaal doet en gevraagd wordt naar de betekenis van de ontmoeting met de Ban Advocates voor haar, weet ze het treffend in één zin te vatten: “Het was alsof ik herboren werd.” En zo heb ik haar ook meegemaakt. Wanneer op een zondagvoormiddag enkele journalisten op de Ban Advocates afkomen, gaat ze zonder moeite mee om langdurig te spreken met een vrouwelijke journaliste. Uitgenodigd door haar concrete openhartigheid stelt ze honderduit vragen over haar dagelijkse leven. Ze vertelt en vertelt en na afloop zit ze te gekscheren met de meisjes, die ter ondersteuning van de Ban Advocates en op een muurtje gezeten zwaait ze lachend met haar been. Ze kijkt naar mijn camera met flikkerende oogjes.
 

Hildegarde Vansintjan, Advocacy Officer Handicap International, 2010