Een gesprek met een overlevende van clustermunitie uit Laos

Hierbij wil ik materiaal aanreiken voor een reflectie over overlevenden van clustermunitie, de manier waarop zij met hun ervaringen en trauma’s omgaan en hoe wij die met hen werken in de pleitbezorging hiermee rekening kunnen houden.
Vertrekpunt is een gesprek met een overlevende van clustermunitie uit Laos op het einde van de landmijnenconferentie in Cambodia, december 2011

Na een kort inleidend gesprek stelt de begeleider de vraag:

Veranderde er veel na je ongeval?
Na mijn ongeval veranderde mijn leven helemaal. Alles werd negatief. Niets was nog positief. Mijn familie verloor haar respect voor mij en mijn buren hielden afstand van me.
Ik probeerde zelfmoord te plegen. Verschillende keren. Maar het lukte niet.
Nu werkt mijn man op het veld om onze kinderen te voeden en de kinderen werken voor ons gezin. Ik kan niet langer werken op het veld. Ik help mijn man bij zijn werk op de boerderij.
We leven er samen met twee nichtjes, mijn dochter en schoonzoon en hun twee kinderen.

Waar ben je geboren?
Ze haalt een pasje boven en noemt een klein dorpje in het district Savannaketh. Ik ben geboren in 1959. Ik heb een broer en een zus. Ik was acht toen de oorlog begon. Ik moest weg van school en werken voor het leger van mijn zestiende tot mijn twintigste. Dan ben ik getrouwd en zijn we naar Xepon gaan wonen.

Waar heb je je man ontmoet?
We waren samen in het leger, we moesten dingen dragen, voedsel koken… Hij werd zwaar gekwetst in het been. De oorlog was hard. Het was een moeilijk tijd voor mij. Veel mensen waren gewond. Ik was heel bang. Ik hoor tot vandaag nog altijd het geluid in mijn geest. Ik denk nog altijd in die tijd en dan heb ik slechte dromen. Sinds mijn ongeval heb ik een dubbel probleem: een fysiek en een emotioneel. Wanneer ik hier tijdens zo’n conferentie het verhaal hoor van andere slachtoffers, dan komt alles terug in mijn geheugen en dan lijd ik opnieuw. Alles komt terug. Iedere keer wanneer ik iets hoor over een gelijkaardige situatie, is dat zeer pijnlijk. Ik denk aan het ongeval en aan de oorlog en dan is de pijn er weer. Zo bijvoorbeeld tijdens het bezoek aan een rehabilitatiecentrum met mijnslachtoffers en men vertelt over het ontploffen van een bom, dan krijg ik een pijnlijke schok.

Ik hoor dat het moeilijk is voor jou om naar een conferentie als deze (conferentie over het landmijnenverdrag) te komen en wat geeft je de moed om toch te komen?
Het is tegelijkertijd ook een positieve zaak. Het bemoedigt mij. Ik heb veel slachtoffers gezien die zich in een gelijkaardige situatie bevinden als ik. Sommige zijn nog meer slachtoffer. Ze hebben soms twee benen verloren (zij een been), soms ook hun armen of ogen. Ik vergelijk me met hen en zie dat ik meer geluk heb dan zij. Dat geeft me een comfortabeler gevoel. Ik vind het heel erg voor hen. Niet alleen voor mezelf. Er zijn duizenden mensen in de wereld. Ik voel me niet alleen tussen andere slachtoffers. Ik ben niet alleen. Samen kunnen we in het reine komen met mijn situatie. Ik voel me in mijn gezin meer alleen dan hier.

Je was twintig toen je trouwde, kan je daar iets over vertellen?
Ze lacht en zegt: “Het was moeilijk. Het was een heel klein huwelijksfeest. Het was tijdens de oorlog. In die tijd was mijn “love story” niet zo gelukkig, gedurende de oorlog. Beiden werkten we voor het leger. We hadden zelfs niet de tijd om te slapen. We moesten altijd werken. In de dag en ook ’s nachts. Als we niet werkten, dan doodden ze ons. Maar mijn liefde was zeer gelukkig. (een stille lach). We kenden elkaar al vier jaar voor we trouwden.
Maar de periode van de oorlog was de meest pijnlijke. Ik zal dat nooit vergeten. Het maakt me nog altijd heel droevig.

Hielp het om de oorlog door te komen, geliefd te zijn?
Ja, het hielp in die tijd. Het was een goede zaak dat ik mijn man ontmoette. Met mijn man was ik zeer goed af. Dat was positief. Er was ook geluk. Het was pijnlijk in het geluk.

Wanneer werd je man gewond?
Ze haalt nog een kaartje uit haar zak. Het was in 1976. Dat was dus na haar huwelijk. Zijzelf werd gewond in 1993.

Wat deed je toen het ongeval gebeurde?
Ik was aan het graven om de boerderij op te bouwen, toen een clusterbom ontplofte. Ze zegt het lachend, heft de hand even omhoog en kijkt dan voor zich uit. Het ongeval was alles in mijn leven. Ik kon niet vinden wat er goed was in mijn leven. Gedurende de oorlog werd mijn man gewond en nu ik dacht ik. Altijd opnieuw ik. Altijd opnieuw ik.
Ze houdt de handen samen. Een vuist in een hand. Ze is ernstig en geëmotioneerd.
Dat was het ergste. Ik probeerde verschillende keren zelfmoord te plegen. Ik zag niet langer nog een zin in het leven. Ik dacht als ik dood ga, hoe zal het dan met mijn kinderen gaan? Wie zal voor hen zorgen? Ik voelde me zeer droevig. Dat is het waarom ik nog in leven ben. Mijn kinderen.
Waarom is dat mij overkomen? Wie kan mij een antwoord geven. Dat is mijn vraag. Ik heb er geen idee van…

Elke dag kijk ik naar mijn kinderen. Ze hebben geen eten, geen kleren. Ik en mijn man kunnen hen niet helpen. Ik ween en ben heel triestig. Opnieuw en opnieuw.

Je zegt dat je niet meer de zin zag in het leven?
Voor mijn ongeval, kon ik werken. Ik kon mijn kinderen ondersteunen. Hen voedsel geven. Ze konden naar school. Na het ongeval ging dat niet meer. Voor een moeder is dat het ergste. Dat is iets wat je niet kan verdragen.

Je kan hen niet helpen maar je moet er toch zijn voor hen?
Ik weet als een moeder, ik heb het dikwijls gedacht, ik kan hen niet alleen achterlaten. Zonder mij kunnen ze niet leven. Het is zo pijnlijk. Het maakt dat ik me slecht voel. Het enige wat me nu doet overleven, zijn mijn kinderen.
Ze veegt een traan weg.
Ze maakt een meer levendige, open beweging met de handen.
Ik heb zeven kinderen, vier dochters en drie zonen (dit verneem ik nu pas). Toen het ongeval gebeurde, waren ze nog zeer klein. Enkele van hen moesten uit de school wegblijven en werk zoeken. Ik kon ze niet helpen. Ze gingen weg van mij, naar een andere provincie om werk te zoeken. Zo geraakten ze gescheiden van de familie. Ze zijn allemaal getrouwd. Een zoon heeft de hogeschool gedaan (secundaire school). Hij is zeventien.

Ik denk dat je een zeer goede moeder bent.
Ze kijkt verrast op en veegt een traan weg. Ze zegt dank u en duikt met haar hoofd onder de stoel om haar kruk op te rapen. Ze staat op en gaat.
Dit was voor haar het einde van het gesprek.
 

Hildegarde Vansintjan, Advocacy Officer, Handicap International, 2012

 

Aandachtspunten en literatuurlijst voor een reflectie over “Coaching van overlevenden van clustermunitie en pleitbezorging vanuit sterktes”