Aïda blijft even staan voor de blauwe metalen deur. Ze kijkt van de affiche naar de klink, maar durft die nog niet goed aan te raken. Waarom twijfelt ze? Ze mag hier gerust naar binnen, en toch voelt ze kriebels in haar buik. Ze is hier nog nooit geweest. Het is geen school of een winkel waar je kunt doen alsof je gewoon iets komt kopen. Ga nergens binnen waar je de weg niet kent! De rationele stem, die verdacht veel op die van haar moeder lijkt, spreekt haar weer toe. Maar ook al is haar moeder wijs, Aïda is nu zelf ook groot en verantwoordelijk.
Binnen hoort ze zachte stemmen. Ze haalt diep adem. Ze is niet bang voor een discussie met haar moeder; die zal het wel begrijpen. En zo niet, dan zal Aïda het haar wel haarfijn uitleggen.
Ze recht haar rug om groter en zelfzekerder te lijken dan ze zich voelt, en duwt de deur open.
De koele lucht van de ventilator slaat meteen in haar gezicht. Het ding staat te grommen in de hoek van de kamer. De ruimte is bescheiden maar netjes. Niks om schrik van te hebben, stelt ze zichzelf gerust. Gewoon een rij plastic stoelen en tafels vol kaarten en foto's. Serieus, maar niet intimiderend.
Een man met het logo van een ngo op zijn borst is in gesprek met een vrouw aan een bureau. Aïda sluit de deur stilletjes achter zich, maar het geluid klinkt luider dan ze wilde. Ze bijt op haar lip. Lekker discreet weer, denkt ze sarcastisch. De twee kijken haar kant op en begroeten haar met een vrolijke glimlach. De man neemt het woord voordat Aïda kan terugkrabbelen.
“Zoek je iemand?”
“Euhm… ik zag de affiche buiten. Over die landmijnen. Ik wilde weten… waarover gaan deze sessies precies?”
De vrouw komt naar haar toe en geeft haar een folder. “Wij organiseren infosessies om aan buurtbewoners uit te leggen hoe ze gevaarlijke zones herkennen. En vooral: wat ze moeten doen als ze een onontplofte mijn vinden. We hebben het ook over zelfgemaakte mijnen, die er helemaal niet uitzien zoals in de films.”
De vrouw glimlacht. Aïda werpt een blik op het papier: grote, duidelijke letters, tekeningen en schema’s. Een kind dat naar een raar voorwerp in de grond wijst. Een groot rood kruis over wat je absoluut niet mag doen. Ze had er nooit zo over nagedacht. Natuurlijk wist ze dat er mijnen waren door de oorlog, maar die foto’s zien en horen dat het gevaar letterlijk een paar straten verderop ligt… Ze krijgt er een zwaar gevoel van op haar borst.
“Is het gratis?” vraagt ze.
“Natuurlijk. Je hele familie is welkom. Je kunt er zelfs over vertellen op school.”
Aïda knikt.
“Mag ik deze meenemen?”
“Zeker. Er staat ook een QR-code op voor meer info.”
Ze plooit de folder en steekt hem in de zak van haar jurk.
“Bedankt, ik ga het met mijn familie bespreken.”
Nu weet ze het zeker: dit gaat ze doen. Ze werpt nog een laatste blik op de foto van een terrein met rode vlaggetjes. Het is zo makkelijk om die gevaren te missen als je niet weet waarop je moet letten. Ze rilt bij de gedachte dat ze bijna op een mijn was gestapt. Maar goed, dat brood gaat zichzelf niet kopen!
Ze sluit de deur van het lokaal achter zich en stapt de verpletterende hitte weer in. Terwijl ze door de straten wandelt die ze door en door kent, merkt ze dat ze plots veel meer oog heeft voor de details rondom haar. Aan een verroeste omheining ziet ze een oud, afgebleekt verbodsbord hangen. Het was haar eerlijk gezegd nog nooit opgevallen. Dit bord ziet er heel anders uit dan dat rode van daarnet, maar ze kan het niet helpen: haar gedachten slaan op hol. Wat als dit bord er om dezelfde reden hangt? Liggen daarachter dan ook van die gevaarlijke tuigen? Ze schudt haar hoofd en probeert weer nuchter na te denken: als het écht zo gevaarlijk was, dan hadden ze die zone toch al lang volledig afgezet?
Om de hoek verschijnt eindelijk de bakkerij. Een warm, oranje licht schijnt naar buiten en de lucht hangt vol met de heerlijke geur van vers brood. Haar maag geeft een luide grom.
Ze duwt de deur van de kleine winkel open. De bakker, een oude man met een zongebruinde huid, staat achter de toonbank. Hij schuift net een khobz in de oven. Hij kijkt nauwelijks op, maar zijn vertrouwde gegrom is voor haar welkomstgroet genoeg.
“Ge hebt chance,” mompelt hij. “Ze komen er net uit.”
“Eén khobz, alstublieft,” zegt ze snel terwijl ze hem de muntjes geeft. Ze wijst naar een van de warme broden: “Die daar!”
De bakker steekt het dampende brood in een papieren zak. Aïda bedankt hem en is de bakkerij alweer uit voor de deur goed en wel dichtvalt. Ze rammelt van de honger en het is al laat: ze wil zo snel mogelijk naar huis om haar familie alles te vertellen over de sessies. En dan is er natuurlijk nog die stapel huiswerk.
De terugweg lijkt een pak korter dan deze ochtend. Misschien komt het omdat ze zo flink doorwandelt. Terwijl ze stapt, oefent ze het gesprek in haar hoofd alvast in, op zoek naar de beste argumenten om haar ouders te overtuigen.
Wanneer ze eindelijk thuis is, staat Samir al klaar om het brood uit haar handen te trekken. Ze is hem te snel af en houdt het brood boven haar hoofd, ver weg van de gulzige handen van haar broer. Haar moeder werpt hen een kleine glimlach toe.
“Eindelijk, we waren bijna zonder jou begonnen.”
“Sorry, de gewone weg was afgesloten, ik moest een hele omweg maken.”
Tijdens het eten, tussen de alledaagse praatjes door, neemt ze haar kans. Ze haalt de folder uit haar zak en legt hem op tafel. “Ik heb een affiche gezien voor sessies over landmijnen, vlak bij de bakkerij. Het gaat over hoe je ongelukken kunt vermijden en wat je moet doen als je iets raars vindt.”
Haar moeder fronst haar wenkbrauwen. “Landmijnen? Hier?”
“Ja. De weg was afgezet met een bord: ‘risico op explosieven’.”
Haar moeder drukt haar lippen op elkaar.
“Het verbaast me eigenlijk niet eens…,” mompelt ze bezorgd.
Samir kijkt afgeleid naar de folder. “Ik heb nog nooit een landmijn gezien.”
“Dat is net het probleem, domkop. Het ziet er niet altijd uit als een mijn.”
“Aïda,” onderbreekt haar moeder haar streng.
Trots dat ze het kan uitleggen, gaat Aïda verder: “Ik bedoel… ze zitten vaak verstopt onder afval of ze lijken op speelgoed. Sommige ontploffen al als je er gewoon op stapt tijdens het voetballen.”
Haar moeder zucht diep en wrijft over haar knieën. “Je hebt gelijk. Je denkt altijd dat zoiets alleen anderen overkomt.” Ze kijkt naar de folder. “Waar is het? En is het gratis?”
“Naast de bakker. En ja, volledig gratis.”
“Dan gaan we erheen,” besluit haar moeder zonder twijfel.
Samir zucht diep. “Dus we moeten op verveeld op een stoel gaan zitten en luisteren?”
Aïda rolt met haar ogen en knijpt hem in zijn arm.
“Ja, en misschien bega je daardoor geen stommiteit.”
“Ik? Ik bega geen stommiteiten!”, protesteert hij terwijl hij zijn armen kruist voor zijn borst.
“Natuurlijk, en gisteren heb je niet bijna je been gebroken toen je op de muur van de buren wou klimmen? Of het brood, dat was jij niet vergeten, zeker?”
Samir mokt en hun moeder rolt met haar ogen.
“We gaan ernaartoe. En jullie twee, zit stil en eet jullie bord leeg.”
De volgende ochtend zitten ze in de kleine zaal. Samir loopt er met zijn handen in zijn zakken bij; hij heeft er duidelijk geen zin in. Er zitten al een tiental mensen, waaronder enkele kinderen, maar het zijn vooral volwassenen.
Aïda voelt de adrenaline door haar lijf gieren. Dit is niet zomaar de zoveelste saaie les op school of een praatje over groenten en fruit op de markt. Hier gaat het over de échte verhalen. De dingen waar ouders altijd zo bezorgd over fluisteren aan de keukentafel, de onderwerpen die iedereen liever uit de weg gaat — tot het moment dat je er plots zelf middenin zit.
Aïda herkent de twee personen van gisteren. De man werpt haar een glimlach toe voor hij begint.
“Bedankt om te komen. Vandaag gaan we het hebben over een onderwerp waarmee we levens kunnen redden.” Hij stopt even, kijkt in het rond en gaat verder: “Veel mensen denken dat je onontplofte landmijnen en explosieven makkelijk herkent, dat ze allemaal dezelfde vorm hebben, dat het is zoals in de films. Maar eigenlijk kunnen ze eender welke vorm hebben”.
Hij draait zich om naar het bord en wijst enkele foto’s aan. Op sommige zie je ronde metalen voorwerpen, op andere staan gewoon verroeste stukken oud ijzer. Op nog een andere foto staat een plastic fles op de grond, die amper verschilt van achtergelaten flessen die regelmatig rondslingeren in de straten.
Aïda fronst haar wenkbrauwen, geschokt. Zoiets had ze zelf niet kunnen bedenken. Zoveel dingen waartegen ze had kunnen schoppen, uit ergernis.
“Veel explosieven worden gemaakt van alledaagse dingen”, legt de leraar uit. “Sommige wordenbegraven, andere worden daar gelegd waar je het het minst zou verwachten. Daarom moet je opletten, zelfs op plekken die je al kent.”
Samir buigt zich naar Aïda. “Maar hoe herkennen we ze dan?”
Ze antwoordt niet, maar stelt zich exact dezelfde vraag. De leraar gaat verder.
“Het belangrijkste is dat je de gevaarlijke zones leert kennen,” legt de lesgever uit. “Zie je een officieel bord, rode vlaggetjes of een terrein waar iedereen wegblijft? Blijf daar dan weg. En als je iets verdachts ziet: raak het nooit aan.”
De kinderen knikken braaf, en Samir doet mee. Aïda kruist haar armen. Eigenlijk is het allemaal even simpel als logisch... en toch vraagt ze zich af hoeveel mensen op het juiste moment ook echt de juiste reflex hebben. En dan nog: soms heb je gewoon geen keuze. Of krijg je de kans niet eens. De lesgever zei het zelf: die explosieven kunnen diep begraven liggen. Hoe kun je ze dan in godsnaam vermijden?
Ze moet denken aan de verhalen die ze weleens heeft gehoord. Over boeren die hun land ploegen om eten op tafel te krijgen, of kinderen die net iets te enthousiast aan het spelen waren bij een braakliggend terrein... En dan, van het ene op het andere moment: gedaan met het veld, gedaan met hun benen. Of erger: ze zijn er gewoon niet meer.
“En wat als je er per ongeluk op gaat staan?” vraagt een man vooraan.
“Blijf dan stokstijf staan,” antwoordt de lesgever doodserieus. “Beweeg niet, want dat kan de ontploffing veroorzaken. Roep om hulp.”
Aïda rilt. Ze ziet het bord weer voor zich. Ze is zo blij dat ze die dag de juiste afslag heeft genomen.
Gelukkig gaat de man verder en heeft hij haar aandacht. Hij legt uit hoe je een verdachte zone signaleert, hoe je risicozones vermijdt en wat je moet doen als een vriend een raar voorwerp vindt. Hij geeft concrete voorbeelden en toont hen beelden van landmijnen die voor de helft zijn ingegraven, van vallen die verstopt steken onder afval.
Als de sessie op zijn einde loopt, krijgt iedereen een samenvattende folder over hoe je je moet gedragen. Samir bladert er doorheen met opgetrokken neus, duidelijk geïntrigeerd door de foto’s.
Aïda kijkt naar hem, bijna vertederd.
“Zie je wel? Het is niet zo stom”, zegt ze op een plagerige toon.
Hij haalt zijn schouder op, maar antwoordt niet.
Een paar dagen later komt Aïda thuis van school. Ze hoort Samir in de straat bezig tegen zijn vrienden. Hij wijst naar een affiche en zegt vol zelfvertrouwen, als een echte expert: “Als je een raar ding ziet liggen, raak je het niet aan. Je blijft eraf en je gaat meteen een volwassene halen!”
Aïda blijft even staan en kijkt hem na. Hij is doodserieus. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht. Ze is opgelucht. Haar kleine broertje is veilig en hij beschermt nu zelfs zijn vrienden. Het kostte niet eens veel moeite. Het was gewoon een kwestie van de juiste beslissing te nemen.
Contactgegevens
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB