Aïda belooft dat ze het gaat proberen.
Ze weet niet precies wat dat inhoudt, maar ze heeft het nu eenmaal gezegd. Voorlopig betekent het vooral dat ze moet langsgaan bij een vrouw in een klein kantoortje met kleurrijke kussens en een kamerplant die beter lijkt te ademen dan zijzelf.
In het begin zegt ze niet veel. Het voelt raar om over haar gedachten te spreken met een vreemde. Ze doet haar best, antwoordt wat schouderophalend op de vragen en laat de tijd wegtikken terwijl ze naar een vast punt op de muur staart. Maar de vrouw is geduldig. Ze dwingt Aïda niet om te praten, maar stelt eenvoudige vragen die niet te diep graven. Tenminste, in het begin.
“Slaap je al een beetje beter?”
Aïda haalt haar schouders op. “Niet echt.”
Ze vertelt er niet bij dat ze de uren aftelt tot het ochtend wordt, dat haar hart overslaat bij het minste geluid en dat ze zichzelf dwingt om rustig te blijven ademen wanneer de angst haar lijkt te verstikken.
Maar de vrouw stelt die dag geen andere ‘gevaarlijke’ vragen
Ze geeft haar gewoon een schriftje met de opdracht om erin te schrijven wat ze wil, wanneer ze maar wil.
“Niet voor mij,” verduidelijkt ze. “Voor jou.”
Aïda haalt nog eens haar schouders op. Ze gelooft niet dat het iets zal uithalen, maar ze neemt het schriftje toch aan.
De dagen gaan voorbij en ze betrapt zichzelf erop dat ze toch af en toe iets neerkrabbelt. Onvolledige zinnen. Flarden van gedachten. Het lijkt nergens op, maar op die manier krijgt ze de chaos in haar hoofd wel op papier.
Op een ochtend is ze vermoeider dan ooit. Ze heeft hoogstens een uurtje geslapen voor de wekker ging. Haar moeder schenkt een kom melk in en kijkt haar bezorgd aan. “Wil je vandaag liever thuisblijven?”
Ze zou dolgraag ‘ja’ zeggen, maar ze wil zichzelf niet opsluiten. Het voelt niet gezond om alleen thuis te zitten met haar gedachten. “Nee.”
Ze gaat naar school, zoals altijd. Maar diep vanbinnen weet ze dat ‘zoals altijd’ niet meer bestaat. Aan de schoolpoort doet een affiche haar plotseling stilstaan.
De volgende ochtend twijfelt ze enorm. Ze heeft er met niemand over gesproken, zelfs niet met Samir. Ze wil dit zelf beslissen, zonder de bezorgde adviezen van haar familie. Ze heeft lang gedaan alsof ze het vergeten was en gebruikte haar huiswerk als excuus om niet te hoeven gaan. Maar nu het moment daar is, beseft ze dat ze niet kan blijven vluchten. Als ze echt verantwoordelijk wil zijn, moet ze deze moeilijke stap zetten.
Ze raapt al haar moed bijeen, ademt diep in en stapt de refter binnen.
Er zijn al wat mensen: leerlingen, een paar volwassenen. Een man in uniform is in gesprek met een vrouw in een beige blouse. Ze glimlachen bemoedigend, maar Aïda krijgt nog steeds nauwelijks lucht. Ze gaat achteraan in de zaal zitten, maakt zich klein en slaat haar armen over elkaar.
De docent begint te praten en onmiddellijk valt op dat zijn stem anders is dan die van een gewone leraar. Hij spreekt rustig, maar met een zekere ernst. Hij legt uit waarom deze sessies nodig zijn en spreekt over de gevaren die mensen vaak vergeten. Hij toont foto’s en schema’s van risicozones.
Aïda weet natuurlijk al het een en ander, maar om het zo gestructureerd te horen, verandert alles. Op een groot wit bord verschijnen foto’s.
“Veel mensen denken dat je landmijnen en explosieven direct herkent,” zegt de man. “Dat het alleen van die ronde metalen schijven zijn die boven op de grond liggen, zoals in films.” Hij wijst naar een foto van een roestig, half begraven voorwerp. “Sommige zien er inderdaad zo uit. Maar…”
Hij klikt naar de volgende foto. Deze keer ziet ze een gedeukt blikje op een braakliggend terrein, een frisdrankblikje en een oude schoen.
“…andere vallen nauwelijks op. Ze zijn zo ontworpen dat ze ontploffen bij de minste aanraking, vaak vermomd onder wat aarde, dorre bladeren of met een flinke dosis kwaadaardige creativiteit.”
Aïda voelt een steek in haar maag. Ze denkt terug aan het conservenblik waar ze toen zo bang voor was.
“De signalen van een gevarenzone kunnen heel subtiel zijn,” gaat de man verder. “Waarschuwingsborden zijn logisch, maar die staan er niet altijd. Let op de details:
• Een veld waar niemand komt, terwijl de weg ernaast wel gebruikt wordt.
• Dode dieren.
• Muren van verlaten gebouwen met waarschuwingen erop.
• Voorwerpen die er vreemd bij liggen, zoals een hoop stenen die een soort barrière vormen.
• Zones met rode of gele vlaggetjes.”
Hij toont een foto van een verlaten terrein met gekleurde stokken in de grond. “Ontmijners plaatsen deze markeringen om gevaar aan te duiden. Blijf altijd uit de buurt als je dit ziet.”
Een jongen op de eerste rij steekt voorzichtig zijn hand op. “En… wat als we er toch een vinden?”
De man knikt, alsof hij de vraag verwachtte. “De regel is simpel: raak niets aan. Draai je om en ga via exact dezelfde weg terug als je gekomen bent.” Hij kijkt de zaal rond om het belang van zijn woorden te onderstrepen. “Zelfs als het lijkt op een lege doos, een stuk oud ijzer of speelgoed. Je weet nooit wat erin of eronder zit.”
Hij toont een nieuwe foto: een vrolijk gekleurd stuk plastic speelgoed op de grond. “Sommige explosieven zijn gemaakt om de aandacht te trekken. Ze worden bewust ergens neergelegd zodat iemand ze zou oprapen. Trap niet in die val!”
Een koude rilling loopt over Aïda’s rug.
“Dus, wat moet je doen?” Hij valt even stil. “Ga rustig weg. Ren niet en maak geen bruuske bewegingen. Volg je eigen voetstappen terug en verwittig onmiddellijk de autoriteiten. Bel een noodnummer als dat er is, of waarschuw een leerkracht, de politie of de wijkverantwoordelijke.”
Hij sluit af met een foto van een kind dat iets uitlegt aan een volwassene. “Elke keer dat je een gevaarlijke situatie meldt, kun je een drama voorkomen. Zelfs als je twijfelt, is het beter om het toch te zeggen.”
Aïda weet dat hij gelijk heeft. Zij heeft het ook meegemaakt.
Ze hoefde vandaag niet te praten. Ze hoefde niet alles meteen te begrijpen of te verwerken.
Maar voor het eerst in lange tijd heeft ze het gevoel dat ze weer echt kan ademen.
Einde
Contactgegevens
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB