Aïda voelt hoe haar hart stopt met slaan en haar hele lichaam in één klap verstijft. Haar rechtervoet staat op iets hards dat een beetje verzonken in de aarde ligt. Een huiveringwekkende rilling loopt over haar rug. Elke cel in haar lichaam schreeuwt om te vluchten, om weg te rennen van dit vreselijke gevoel, maar haar instinct zegt precies het tegenovergestelde: beweeg absoluut niet.
Haar ademhaling stokt en haar buik trekt pijnlijk samen van pure angst. Ze probeert nog rationeel te denken, dat het misschien maar een steen is… Maar ze weet het. Ze wéét dat het geen steen is.
“Nee, nee, nee…”
Haar lippen fluisteren de woorden als een gebed, in de hoop dat de realiteit zou verdwijnen. Ze sluit een seconde haar ogen en probeert haar hartslag weer onder controle te krijgen. Ze snakt naar adem; de lucht lijkt ergens vast te zitten tussen haar keel en haar longen.
Om hulp roepen is haar enige optie.
En niet bewegen. De druk niet veranderen, en vooral, vooral haar voet niet optillen.
Met trillende handen tast ze naar haar telefoon. Het lukt haar bijna niet om hem uit haar zak te krijgen; haar handen voelen klam en onhandig aan. Ze probeert zo min mogelijk te bewegen, wat deze simpele taak plotseling doodeng maakt.
Eindelijk krijgt ze het scherm ontgrendeld, maar haar ogen weigeren scherp te stellen op haar contacten.
Wie?
Maakt niet uit.
Ze klikt op het laatste nummer dat ze gebeld heeft.
“Hallo?”
Haar eigen stem klinkt vreemd in haar oren, als een hees gefluister. Alsof ze bang is dat ze het "slapende beest" onder haar voet wakker maakt als ze te luid spreekt.
“Aïda, wat is er?”
Ze wordt duizelig van de stem. Eventjes wil ze in tranen uitbarsten en zich vastklampen aan dat vertrouwde geluid. Mama. Hoewel haar moeder aan de andere kant van de lijn wat opgejaagd klinkt, merkt ze meteen de ijzingwekkende stilte van haar dochter op.
“Aïda, meisje, wat is er aan de hand?”
“Ik… ik heb een probleem. Ik heb hulp nodig.”
Ze krijgt een dikke krop in haar keel. Het hardop zeggen maakt de situatie nog echter. Hoewel, kan het nog echter? Ze staat met haar voet op een mijn en ze heeft genoeg slachtoffers gezien om te weten wat er gebeurt als ze haar voet nu verzet.
“Wat? Wat bedoel je? Waar ben je?”
Aïda kan amper slikken. Ze speurt de horizon af, maar hoewel ze deze plek uit haar hoofd kent, lijkt nu alles op elkaar.
“Ik… ik heb de binnenweg genomen om brood te halen. Er stond een bord dat waarschuwde voor explosieven en…”
Ze hoort een geschokte reactie aan de andere kant. Haar moeder heeft meteen begrepen in wat voor wespennest haar dochter terechtgekomen is.
Ze hoort haar moeder naar haar vader roepen; haar stem schiet de hoogte in, bijna hysterisch. Het wachten is ondraaglijk. Aïda haat zichzelf omdat ze haar familie dit aandoet. Maar tegelijkertijd denkt ze: gelukkig is het Samir niet.
“Luister naar mij: beweeg niet. Je vader zoekt hulp. We komen eraan!”
Niet bewegen.
Alsof ze een keuze heeft.
De lijn kraakt en de verbinding verbreekt. Aïda kan haar tranen amper verbijten, maar ze is doodsbang dat haar gesnik haar lichaam zal doen trillen.
Ze kan alleen maar wachten. En dat duurt een eeuwigheid.
De tijd kruipt voorbij. Elke seconde voelt als een uur. Aïda voelt haar hart bonken in haar borst, haar benen trillen en het zweet loopt in straaltjes langs haar nek. Ze probeert zich te concentreren op haar ademhaling, maar zelfs dat lukt amper. De telefoon trilt in haar hand.
En dan hoort ze in de verte eindelijk stemmen. Gehaaste voetstappen. Er komt iemand aangerend. Een bekend silhouet verschijnt aan het einde van de weg, maar hij is niet alleen.
“Zeker niet bewegen, Aïda! Alles komt goed, oké?”
Ze ziet haar vader koortsachtig praten tegen de persoon naast hem. Ze begrijpt er niets van, maar één woord hoort ze hem voortdurend herhalen: ontmijners.
Enkele minuten later — of was het een eeuw? — ontstaat er commotie aan het begin van de weg. Een geblindeerde wagen stopt bruusk en laat een dikke stofwolk achter die in Aïda’s ogen prikt. Er volgt nog een auto met een logo dat ze herkent: een bedrijf gespecialiseerd in ontmijning en in de opleiding van burgers rond het gevaar van explosieven.
Haar vader komt zo dichtbij als hij mag, maar moet op veilige afstand blijven. Drie mannen en een vrouw in beige veiligheidspakken stappen uit en komen voorzichtig naderbij. Ze dragen uitrusting die ze alleen uit actiefilms kent: zware vesten, helmen met een geblindeerd stuk en rugzakken vol vreemde instrumenten.
Een van hen, een man van rond de veertig, loopt voorop en steekt zijn hand op om de rest op afstand te houden.
“Niemand komt nog dichter!”
Zijn stem is rustig maar dwingend. Hij richt zich tot Aïda en hurkt langzaam neer om oogcontact te maken. Zijn toon wordt zachter.
“Jij bent Aïda, hè?”
Ze knikt heel voorzichtig, terwijl er een traan over haar wang rolt.
“Ik ben Hassan. Samen met mijn team gaan we jou hieruit halen, beloofd.”
Achter hem schiet zijn team meteen in actie. Twee van hen bakenen de zone af met rode vlaggetjes. De vrouw uit het team opent een koffer vol elektronische apparatuur.
“Beweeg vooral niet,” zegt Hassan kalm. “We gaan eerst onderzoeken wat er precies onder je voet zit.”
Hij geeft een discreet teken en een teamgenoot activeert een scanner. Een korte, scherpe bip snijdt door de stilte. Het scherm licht rood op. Hassan wisselt een snelle blik uit met zijn team.
“We hebben een signaal. Waarschijnlijk een druksensor,” fluistert de vrouw.
Aïda voelt haar keel nog verder dichtgesnoerd worden.
“Geen paniek,” zegt Hassan. “Alles komt goed. We gaan eerst de boel stabiliseren. Daarna kan je veilig bewegen, maar doe dat pas wanneer ik het zeg. Begrepen?”
Aïda knippert met haar ogen. Ze is te bang om te praten.
“Oké?” vraagt hij nog eens zacht.
Ze knikt nauwelijks merkbaar.
Een van de ontmijners gaat plat op zijn buik liggen en schuift millimeter per millimeter naar haar toe met een metalen plaatje.
“Ik schuif nu een stabilisatieplaatje onder je voet. Schrik niet als je een lichte druk voelt, dat is gewoon het plaatje dat zich vastzet.”
Aïda sluit haar ogen en probeert de rillingen te onderdrukken wanneer ze het koude metaal onder haar zool voelt glijden. Iedereen houdt zijn adem in. Aïda heeft het gevoel dat alles elk moment kan exploderen en…
“Oké,” fluistert Hassan. “Het plaatje ligt stabiel. Nu moeten we checken of er een tweede ontsteker is.”
Aïda trekt haar ogen open. “Een… tweede?”
“Sommige mijnen zijn zo gemaakt dat ze afgaan als je ze probeert te ontmantelen. We moeten zeker zijn dat er geen struikeldraad of extra sensor aan vastzit voor je beweegt.”
De ontmijnster scant langzaam de grond rondom haar voet.
“Niets te zien in de buurt,” zegt ze. “Het lijkt een losstaande mijn te zijn.”
Hassan haalt diep adem en kijkt Aïda recht in de ogen.
“Luister nu goed. Wanneer ik het zeg, til je je voet heel traag op. Niet in één ruk, oké?”
“O-oké…”
“Heel goed. Op mijn teken… Nu.”
Haar hart slaat een slag over terwijl ze heel voorzichtig haar voet optilt. Het voelt doodeng om plotseling niets meer onder haar zool te voelen, maar er gebeurt niets. Geen knal. Geen pijn. Alleen een enorme, overweldigende opluchting.
Ze zakt bijna in elkaar van de ontlading, maar Hassan grijpt haar onmiddellijk bij haar schouders en loodst haar enkele stappen naar achteren. Achter haar begint een andere ontmijner het ding meteen te beveiligen.
“We vernietigen de mijn ter plaatse,” legt Hassan uit. “Het risico om ze te verplaatsen is te groot.”
Aïda voelt haar benen eindelijk opgeven.
“Was het een echte…?”
“Ja. De mijn had kunnen ontploffen als je niet zo dapper was geweest.”
Ze wandelen weg van de gevarenzone naar haar vader toe, die haar in een stevige knuffel vangt. Hassan zet zijn helm af. Zijn blik is ernstig.
“Je hebt geluk gehad, Aïda. Maar onthoud één ding: die borden staan daar niet voor niets.”
Ze sluit haar ogen, pijnlijk beseffend hoe fout ze was. Ze zal die waarschuwingen nooit, maar dan ook nooit meer negeren.
Wat doet ze?
In dit hoofdstuk schieten Hassan en zijn team van ontmijners Aïda te hulp en slagen erin haar te redden.
Deze situatie is verzonnen voor het verhaal. In werkelijkheid zou Aïda direct gewond zijn geraakt of gedood door de explosie. De ontmijners zouden geen tijd hebben gehad om in te grijpen en de gebruikte methode is onmogelijk..
Contactgegevens
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB