Aïda kijkt nog een laatste keer naar het bordje van de sessies, haalt haar schouders op en loopt vastbesloten door. Ze heeft hier echt geen tijd voor. Zij niet, haar ouders niet, en haar broer is toch veel te jong om dat soort dingen te snappen. Bovendien: ze is geen kind meer. Ze weet heus wel dat ze moet uitkijken waar ze stapt. Moet er nu echt constant iemand met een vinger zwaaien om te zeggen dat er mijnen liggen? Wat een tijdverlies. Iemand die komt vertellen dat open velden gevaarlijk zijn… ze is toch niet blind voor de realiteit? Ze is een grote meid, ze is verantwoordelijk en ze kan prima beslissingen maken.
Ze ademt diep in en stapt stevig door. Er kleeft wat stof aan haar sandalen en de hitte is nog altijd smoorheet, maar verder ziet ze niks gevaarlijks. Ze denkt even terug aan dat stemmetje in haar hoofd dat vijf minuten geleden nog zei dat ze zich moest informeren.
Pff, denkt ze. Haar leven gaat echt niet drastisch veranderen door zo’n sessie te volgen. Ze heeft wel betere dingen te doen. Trouwens, ze moet zich haasten. Samir gaat echt niet op haar wachten voor het dessert en ze heeft geen zin in een preek van haar moeder omdat ze "eindeloos lang" wegbleef voor een simpel brood.
Ze checkt haar gsm en zet er de pas in. Ze mag niet langer treuzelen; er ligt ook nog een berg huiswerk te wachten. Ze heeft geen tijd om te piekeren over mijnen, affiches of de ironie dat ze net dacht er niks van te kunnen leren.
Met een handige beweging ontwijkt ze een grote plas van een gesprongen waterleiding en steekt haar gsm weer in haar zak. De zon gaat langzaam onder en ze kan de eerste sterren al zien, maar de sjaal rond haar nek plakt nog altijd vervelend tegen haar huid.
Eindelijk komt ze bij de bakker aan. De zalige geur van vers brood komt haar tegemoet. De bakker, een oude man met een door de zon getekende huid, staat achter de toonbank. Hij schuift net een khobz in de oven. Hij kijkt nauwelijks op als ze binnenkomt, maar zijn vertrouwde gegrom is voor haar welkom genoeg.
“Je hebt geluk,” mompelt hij. “Ze komen er net uit.”
“Eén khobz, alstublieft,” zegt ze gehaast terwijl ze de muntjes neerlegt. Ze wijst naar een van de dampende broden: “Die daar!”
De bakker steekt het warme brood in een papieren zak. Aïda bedankt hem en is de winkel alweer uit voor de deur goed en wel dichtvalt.
De terugweg voelt lichter, misschien omdat ze weet dat ze straks in de koelte zit, ver weg van de hitte en de klusjes die ze "onrechtvaardig" vindt. Ze loopt langs de verbleekte muur en versnelt haar pas zodra haar huis in zicht komt.
Nog voor het brood goed en wel op tafel ligt, komt Samir er al aan om een brok af te scheuren. Hun moeder kijkt hen streng aan. “Eindelijk,” zegt ze terwijl ze het brood aanneemt. “We waren bijna zonder jou begonnen.”
Aïda zucht maar zegt niks. Samir zit al aan tafel en schrokt het stuk brood naar binnen dat hij net uit haar handen heeft gegrist. Ze gaat erbij zitten en drinkt een groot glas koud water. Ze is doodop, en de gedachte aan haar huiswerk maakt het er niet beter op.
De dagen vliegen voorbij en ze denkt geen seconde meer aan het waarschuwingsbord of die sessies. De dagelijkse sleur neemt het weer over: huiswerk, gekibbel met Samir, boodschappen doen, de geluiden van de wijk. Ze heeft geen tijd om stil te staan bij dingen die haar — dacht ze — toch niet echt raken.
Tot alles verandert.
Op een middag zit ze in de woonkamer gebogen over een wiskunde-oefening, wanneer ze de stem van haar moeder hoort in de kamer ernaast. Er klinkt iets in die stem waar Aïda koude rillingen van krijgt. Ze legt haar potlood neer en houdt haar adem in.
“Vreselijk… Een kind?”
Aïda’s hart slaat een slag over. Ze durft bijna niet te luisteren. Ze staat stilletjes op en sluipt naar de gang.
“Ja, de zoon van Malika.”
Een ijskoude schok gaat door haar hele lijf. Ze kent Malika. En ze kent haar zoontje.
“Hij was aan het spelen met vriendjes, vlak bij het veld van Momo… Er stond een bord, maar ze hebben er niet op gelet.”
Het blijft doodstil in de kamer. Aïda voelt een dikke krop in haar keel. Opeens ziet ze die affiche weer voor zich, en dat rode bord. Ze ziet zichzelf weer haar schouders ophalen en denken dat het haar zaak niet was. Een bittere smaak trekt door haar mond.
Ze had erover kunnen praten. Gewoon even. De waarschuwing even laten vallen. Samir op het hart drukken dat hij de anderen moest waarschuwen.
Maar dat deed ze niet.
Wat doet ze?
Contactgegevens
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB
Handicap International vzw
Gewijde-Boomstraat 44, bus 1, 1050 Brussel
[email protected]
Ondernemingsnummer: BE0432235661
IBAN: BE80 0000 0000 7777
BIC: GEBABEBB