Go to main content

Het verhaal van Winchelle

Noodhulp Revalidatie
Haïti
Winchelle is 13 jaar. Ze houdt van rapmuziek, geschiedenis en sprookjes. Sinds de aardbeving durft ze geen gebouw meer binnen. Instortend beton heeft immers haar drie zussen begraven, haar huis vernield en haar benen verbrijzeld. Gelukkig kan Winchelle sinds kort weer stappen en is ze weer ‘thuis’.
Winchelle

Winchelle, een bloedmooi kind van dertien jaar, wacht samen met haar moeder in de OPD, de afdeling waar mensen van buitenaf op consultatie komen. Vaak gaat het om mensen die onlangs uit het ziekenhuis van Sarthe werden ontslagen, maar nu nog enkele keren per week moeten langskomen voor kiné. Zoals Winchelle. Na de aardbeving heeft ze meer dan een half jaar in ziekenhuizen geleefd. Ze is nu vijftien dagen thuis. Al zal later blijken dat het begrip ‘thuis’ erg relatief is.

Dat Winchelle een slim kind is, blijkt meteen. Ze spreekt perfect Frans en vraagt me de oren van het hoofd. Wat ik doe. Waarom ik met haar wil praten. Of er in België ook aardbevingen zijn. Of cyclonen. Vulkanen misschien. Hebben wij daar dan zo veel geluk? Later wil ze dokter worden. Ze wil mensen helpen zoals zij is geholpen na de aardbeving. Winchelle praat liever niet over de aardbeving. Ze is getraumatiseerd. Terecht, zo wordt snel duidelijk.

Winchelle rolt haar jeansbroek op en ontbloot een schreeuwerig schilderij van littekens. Haar magere beentjes worden ondersteund door twee orthosen. Haar armen en benen waren door de aardbeving volledig verbrijzeld. Winchelle stapt. Op een lijn. Zonder kruk, dat is nieuw. Een Haïtiaanse medewerkster zingt om haar aan te moedigen.

Pauze. Het kind wil praten, maar niet over haar situatie. Ze houdt van muziek, vooral van rap. Ze heeft geen vriendje, want ze vindt dat de vrouwen in Haïti te snel trouwen. En ze studeert graag, vooral geschiedenis. “Ik luister graag naar verhalen, over hoe ons land is gevormd, en over de slaven. En ik lees graag sprookjes. Sneeuwwitje is mijn favoriet. Maar thuis heb ik niets meer om te lezen. We zijn àlles kwijt.” Met een duidelijke nadruk op ‘alles’.

Weer oefeningen. Ducarmelle (36), zo heet de mama, kijkt trots toe. “Ze kon werkelijk niets. We moesten haar van bed tot bed dragen. Dat kind heeft 25 operaties achter de rug, waarvan twee heel zware.” Ze helpt haar dochter om thuis oefeningen te doen, de kinesisten hebben getoond hoe dat moet. Ze oefenen bijna twee uur per dag.

Ducarmelle nodigt ons uit bij hen thuis. Winchelle vindt dat precies niet zo’n goed idee. “Er valt niets te zien, er valt niets te doen. Ik verveel me daar te pletter.” Ze heeft geen contact meer met haar vriendinnen, want daarvoor heeft te lang in het ziekenhuis gelegen. En ze wonen nu in helemaal aan de andere kant van Port-au-Prince. “Ik weet niet of mijn vriendinnen nog leven”, zeg ze.

Voor moeder en dochter weer naar huis vertrekken, brengen ze een bezoekje aan Melissa (14), het meisje met wie Winchelle weken in Sarthe heeft gelegen en die haar vriendin is geworden. “Melissa heeft minder geluk”, fluistert Winchelle. “Zij zal waarschijnlijk nooit meer kunnen stappen.” Het weerzien tussen de vriendinnen is emotioneel. En ook beide mama’s blijken elkaar goed te kennen. Al snel praten ze over alledaagse dingen, alsof ze op een markt zitten, en niet in een ziekenhuis.

Maar het is tijd om te gaan. De weg naar huis is lang. Als alles goed gaat, zijn ze drie tot vier uur onderweg. Ze moeten twee of drie taxi’s nemen, en dat kost Ducarmelle een klein fortuin. “Bovendien zit Ralph daar thuis alleen te wachten”, zegt ze. Ralph is het broertje van tien en het enige andere kind dat de aardbeving heeft overleefd.

Het ‘huis’ van Ducarmelle ligt wat afgelegen en bestaat uit een betonnen vloer en golfplaten. “Het is niet echt een huis, maar het is toch beter dan een tent. Bovendien durven Ralph en Winchelle momenteel geen echt huis meer binnen. Ze zijn bang voor beton.” Ralph zit voor het huis op de grond te wachten in de weinige schaduw die hij kon vinden. Hij kerft met een stok tekeningen in de grond. Hij is aangenaam verrast met het bezoek. Eigenlijk gebeurt er eens iets. De knieën van Ralph zijn zorgwekkend dikker dan de rest van zijn beentjes.

Winchelle heeft niet gelogen: het gezin heeft niets. Het huis mogen ze lenen van vrienden. En hier en daar hebben ze wat spullen gekregen. Er is één stoel. Er is één dun matrasje. Koken gebeurt buiten op een plankje en houtskool. “Gelukkig hebben we ook een muskietennet gekregen.” Maar het is er piekfijn en in de mate van het mogelijke zelfs gezellig. De kleren hangen netjes op, drie knuffels vrolijken de kale muur op. “Ik probeer er onze thuis van te maken”, zegt Ducarmelle. “Vroeger hadden we echt goed”, zucht ze.

Ducarmelle had het inderdaad voor elkaar. Haar man liet haar vlak na de geboorte van Ralph in de steek. Ze stond er dus alleen voor, en toch is ze er altijd in geslaagd om te zorgen voor haar drie dochters, haar zoon en haar moeder die allemaal in een mooi appartement woonden. Ducarmelle nam zelfs nog een weeskind in huis, dat ze als haar eigen dochter ging beschouwen. De vrouw heeft meerdere diploma’s (boekhouding en communicatie) en had haar eigen winkel. “Met prachtige designerspullen”, vertelt ze trots. Helaas is niet alleen mijn huis, maar ook mijn winkel volledig vernietigd. Ik kan geen werk zoeken, want mijn diploma’s liggen onder het puin en de school houdt dat niet bij. En neen, ik ga mijn diploma’s niet zoeken onder de brokstukken, want de lichamen van mijn dochters liggen daar ook nog.”

En dan komt het vreselijke verslag van 12 januari. “Ik was op school want ik volgde een opleiding ontwerpen. Toen trilde de aarde. Ik ben meteen naar huis gerend en zag tot mijn grote ontzetting dat heel het gebouw was ingestort. Er bleef niets van over. Niets stond nog recht. Winchelle vertelde achteraf dat ze de muren op haar af heeft zien komen. We zijn met mensen uit de buurt meteen als gekken beginnen graven. Al snel vonden we mijn oudste dochter. Dood. Ze was 23 jaar. Mijn andere dochter hebben we nooit gevonden. Net als mijn moeder en mijn adoptiedochter. Die liggen daar nog begraven.”

“Tijdens het graven kregen we het plots het signaal dat Winchelle en Ralph nog leefden. Ze lagen niet ver van elkaar en konden met elkaar praten. Ik hoorde Ralph de hele tijd om zijn zus roepen: ‘Winchelle! Winchelle! Waar ben je?!’ Maar Winchelle zei altijd hetzelfde: laat mij met rust. Je veux mourir.’ De volgende dag om 14 uur konden we de kinderen bevrijden. Ze hebben dus bijna een volledige dag onder het puin gelegen.”

“Daarop hebben we mijn twee kinderen naar het ziekenhuis gebracht. Maar het ziekenhuis was volledig ingestort. We hebben twee dagen gewoon op straat gezeten. Winchelle verging van de pijn. Haar benen waren op zoveel verschillende plekken gebroken. Haar ene arm kon ze niet meer bewegen, haar andere hing slap als een vod. Uiteindelijk heeft een dokter ons gevonden. Hij kon Ralph helpen, maar Winchelle was er te erg aan toe. In de andere ziekenhuizen was er geen plaats meer. Dus hebben we haar naar de Dominicaanse Republiek gebracht. Daar onderging ze de eerste van 25 operaties. Twee maanden lang kon ze zich helemaal niet bewegen.”

“Soms probeer ik met de kinderen over die dag te praten. Maar zeker Winchelle klapt dan helemaal dicht. Het enige wat ze zegt, is dat ze haar zussen zo hard mist. Ik weet niet wat de toekomst zal brengen. Op de papa hoef ik niet te rekenen. Hij is rijk en heeft twee huizen, hij weet wat met de kinderen is gebeurd. Maar hij doet niets. Ik hoop zo hard dat ik mijn kinderen de kans zal kunnen geven om te studeren. Zeker Winchelle is zo intelligent...’”
“Ach ja. J’attends le ciel. God heeft nog niet veel gedaan voor mij. Het zal wel een keer veranderen zeker.’ En ze lacht zowaar.

Voor ik terug naar België vertrek breng ik nog een bezoek aan Winchelle. Ralph probeert buiten zo lang mogelijk een bezemsteel op zijn vinger te houden. Winchelle staat voor de spiegel van haar mama. “Nee, ik heb me niet geschminkt!”, ontkent ze. Maar de nagels van haar verminkte voeten zijn netjes gelakt. Ik ga bij haar op de matras zitten en we praten over meisjesdingen, zoals nagellak. Plots maakt ze haar verbanden los en duwt ze mijn handen op haar benen. Ik voel het vele, ruwe littekenweefsel. Haar grotemeisjesogen kijken me doordringend aan: ‘Denk je dat iemand ooit mijn benen graag zal zien?’

Meer over dit onderwerp

Food for Peace: Voedselverdeling in Kasaï
© John Wessels/HI
Noodhulp

Food for Peace: Voedselverdeling in Kasaï

Teams van Handicap International (HI) hebben gedurende twee jaar voedselhulp geleverd aan de bevolking van Kasaï in de Democratische Republiek Congo. Tussen 1 augustus 2017 en 31 augustus 2019 verdeelde HI 2 zakken maïsmeel (elk 27 kg), 1 zak bonen, 1 blik olie en 1 zak zout onder 92 549 personen in Demba en Dimbelenge, twee regio's in de provincie Kasaï. 

"Ik beschouw mijn prothese als mijn eigen been"
© Davide Preti/HI
Revalidatie

"Ik beschouw mijn prothese als mijn eigen been"

Een infectie aan haar been na de aardbeving, kostte Maryse (44) bijna 10 jaar geleden haar rechterbeen. Haar handicap heeft haar echter niet kleingekregen.

"Deze oorlog die al vier jaar duurt, heeft de mensen uitgeput." Mijnen en andere wapens Revalidatie

"Deze oorlog die al vier jaar duurt, heeft de mensen uitgeput."

Suad Al-Qadri werkt als psychosociale hulpverlener voor HI in Sana’a, de hoofdstad van Jemen. Ze vertelt over de mentale toestand van de patiënten die door HI geholpen worden en de gevolgen van bombardementen op de psychologische gezondheid van de bevolking.